Blog

Parasitaire Rotifer in Watervlo

Radardiertjes blijken intracellulaire parasieten te kunnen zijn. Bij de eencellige Arcella mitrata hebben we dat al beschreven. Dat ze ook binnen watervlooien leven dat zien we hier:

 

 

De bewegende rotifer is duidelijk te zien aan de rugzijde van de watervlo. In de derde afbeelding ligt het radardier met zijn staart boven en in de laatste met zijn staart rechts. Hij beweegt zich enorm en draait en woelt in zijn (arme) gastheer.

Advertisements

Ehrenberg (1838): eerste beschrijving van 4 Arcella species

Ehrenberg ontdekte A. vulgaris, A.dentata en A. adulate)  gedurende zijn reis naar het noorden samen met Baron Alexander von Humbold in Rusland. De 3 Arcella soorten werden door hem in Catarinenburg en Tobolsk) in 1829 voor het eerst gezien.

In zijn opus magnum uit 1838 gaf hij de eerste definitie van de familie Arcella (‘der Kapselthierchen’)…..Dieren, 

…welche zahlreiche oder vielstrahlige veränderliche Fortsätze zerstreut führen und einen niedergedrückten schildartigen oder schüsselartigen Panzer besitzen, Ehrenberg, 1838: 183)

Rotatoria met eikapsels in Arcella mitrata

In de bovenstaande afbeeldingen is een radardiertje te zien, samen met 2 eieren van vermoedelijk dat zelfde radardiertje in een Arcella mitrata.

Het puntstaartje van het radardiertje dat binnen in de amoebenschaal ligt is bij enkele foto’s goed te zien. De twee eikapsels ook.

Een en ander heeft het protoplasma van de Arcella verdrongen naar een zijde van de schaal. Het is natuurlijk niet uit te maken of dit een zuiver toeval is, of dat het radardiertje vaker in de schalen van levende Arcellidae haar eieren afzet of achterlaat. Of dit een parasitaire actie is, of een eenvoudig voorbeeld van het radardiertje als commensaal, tijdelijk schuilen binnen de Arcella schaal…

Deze waarneming zijn we niet tegen gekomen in de literatuur vooralsnog. Het lijkt ook niet waarschijnlijk dat Rotatoria passen in de meeste Arcella huisjes, daar die in het algemeen veel platter zijn. Alleen de bolronde schaal van mitrata lijkt daar dus wel een niche te bieden aan passagerende gasten. En difflugia’s zouden goede behuizing kunnen leveren voor parasitaire rotatoria. Inderdaad lijkt dat zo te zijn gezien het internationaal commentaar op deze bevindingen:

Ik poste deze waarnemingen op een forum voor micrografie. Hier de reactie:

It’s true that literature is scarce. However, a few species of rotifer — apart from Ferry’s Proales — are known to parasitize arcellinids: Dicranophorus difflugiarum, Asciaporrecta arcellicola, and A. difflugicola.

The last two were described by Willem de Smet in 2006. He includes some good images, including this one of A. difflugicola:

1756_Asciaporrecta_difflugicola_1

Arcella mitrata in veenplas (pH 4,9)

A rare Arcella mitrata from a sphagnum pond

De Arcella mitrata is een zeldzame huisjes bewonende amoebe, die we aantroffen in een veenmeertje, achter bij paleis Soestdijk. Dat veenmeertje had een pH van 4,9, dat is dus behoorlijk zuur! Deze Arcella is enkele malen in NL waargenomen en beschreven, o.a. door Hoogenraad en De Groot in 1940, en door Ferry Siemersma op enkele plekken waar veenmos aanwezig is. De beschaalde amoebe werd voor het eerst beschreven door Leidy, in 1876.

Hierboven zien we de amoebe met een bovenaanzicht en rechts zien we een van de schijnvoetjes, uit het huisje steken. Deze voetjes noemen we fileuze pseudopodien.

Leidy gaf in 1902 aan dat de door hem beschreven Arcella mitrata misschien dezelfde is die als Arcella costata eerder door Ehrenberg beschreven is,  en als Arcella lohulosa door Carter. Hieronder links een ander exemplaar, iets bruiner (meer ijzeroxide in de schaal), en rechts daarvan de tekening die Leidy maakte van deze Arcella in zijn boek van 1902.

Euglypha strigosa in gewoon haakmos (Rhytidiadelphus squarrosus)

Schermafbeelding 2016-05-21 om 10.04.51Gewoon haakmos (Rhytidiadelphus squarrosus) komt veel voor in beschaduwde grasvelden, ook hier dus, het beschaduwde gras is duidelijk rechts van het huis te zien. Van Mos is bekend dat het micro-organismen kan bevatten, waaronder met name de beschaalde amoeben een belangrijke plaats innemen. Er wordt echter behalve veenmos, weinig naar andere soorten mos gekeken. Vandaar dat wij een veel voorkomende mossoort onder handen namen, die in elke tuin tussen het gras kan voorkomen.

We namen 10 gram haakmos, en brachten dat in 200 ml water, via een magnetische roerder de massa 10minuten geroerd. Samples genomen en gecentrifugeerd. Er kwamen enkele radardiertjes, mosdiertjes en verschillende ciliata in voor. Maar met name zee frequent een beschaalde amoebe (testate amoebe), behorende tot het Genus Euglypha Dujardin, 1841. Euglypha strigosa (Ehrenberg, 1848) wordt gekarakteriseerd door de volgende aspecten (citaat Ferry Siemersma):

Shell ovoid, laterally compressed, and composed of oval shell-plates; siliceous spines may project from the junctions of the shell-plates either singly or in pairs, randomly distributed over the whole of the body surface and varying in both size and shape; spines are held in position by organic cement and are often dislodged in preparation; aperture circular and surrounded by ten to thirteen denticulate apertural-plates; each apertural-plate is roughly oval, thickened at the denticulate margin, and carries a large median tooth with either three of four smaller teeth on each side; nucleus large with one or a few small nucleoli; plasma and filopodia normal.

Het diertje hier heeft duidelijk de silicium stekeltjes en silicium dekplaatjes, alsmede de deticulaire plaatjes (tandachtig) bij de mondopening.

PLUS0004.JPG
Euglypha strigosa (ciliata)

Penard heeft deze soort in 1902 aangeduid als Euglypha strigosa (Leidy), en schrijft daarover dat er verschillende namen voor dit wezen in omloop zijn, waaronder ook door Ehrenberg Difflugia strigosa ( in Abhand. Ak. Wiss. Berlin 1871.)::

Après avoir de mon côté décrit cette espèce en 1890 sous le nom de Euglypha strigosa Leidy, j’avais plus tard renoncé en principe à la considérer comme espèce, et je comptais, dans le cas où je la retrouverais à Genève, la mentionner simplement comme une variété de Euglypha ciliata; mais après l’avoir revue et examinée sous toutes ses faces, je crois qu’il y a bien là une espèce parfaitement autonome, qui, si elle présente de grands rapports avec la précédente, s’en distingue cependant constaniment par des caractères qui la feront toujours reconnaître sans trop de difficulté.

Euglypha is een genus dat vaak in mossen voorkomt, en deze soort wordt ook wel aangeduid met Euglypha ciliata.

Leidy beeldde enkele exemplaren als volgt af in 1879:

Schermafbeelding 2016-05-23 om 21.49.10
Leidy: Euglypha Ciliata (1879)

De functie van dit wezen en verwante soorten is het positief beïnvloeden van afbraak van organisch materiaal, en het speelt dus een rol bij de compostering. Het eet bacterien en planten-afval (detritus).

Het organisme wordt gezien als bioindicator. Leden van dit genus worden gevonden in de grond, in mos, in moerassen en in zoetwater sedimenten.

Een determinatie sleutel van dit genus is onder de link te vinden. 

Penard maakte de volgende afbeeldingen:

Schermafbeelding 2016-05-21 om 08.49.05

De schaal van de Euglypha

De schalen van beschaalde amoeben kunnen van verschillend materiaal zijn, materiaal dat het dier in zijn omgeving vindt, maar ook materiaal dat zelf gesynthetiseerd is. Dat laatste is het geval bij de Euglyphidae. We citeren Calkins (1920) in zijn ‘THE BIOLOGY OF THE PROTOZOA’ daarover:

The tests are simple, one-chambered structures of widely-varied form, frequently ornamented with spines and processes. The basis of all shells is a pseudochitinous membrane which, in some forms is greatly thickened and constitutes the test; in other cases foreign particles are cemented to the outside of the chitinous membrane (Difflugia, Centropy.ris, etc.), and in still other cases silicious plates are precipitated in the endoplasm in the vicinity of the nucleus, and deposited on the chitinous membrane in definite patterns characteristic of different genera {Euglypha, Quadnda).

Verdere bronnen:

Babrov, Anatoly A., Andrei A. Andreev, Lutz Schirrmeister, Christine Siegert. “Testate amoebae (Protazoa: Testacealobosea and Testacaefilosea) as bioindicators in the Late Quaternary deposists of the Bykovsky Peninsula, Laptev Sea, Russia.” Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology. 2004;209:165-181.

Micrographia. The Testate Amoebae.

Wylezich C, Meisterfeld R, Meisterfeld S, Schlegel M. “Phylogenetic analyses of small subunit ribosomal RNA coding regions reveal a monophyletic lineage of euglyphid testate amoebae (Order Euglyphida).” The Journal of eukaryotic microbiology. 2002 Mar-Apr;49(2):108-18.

 

Pyxidicula cymbalum Penard, 1902 in de vijver

Hier zien we bij 400 x vergroting een beschaalde amoeba, uit het Genus Pyxidicula, vermoedelijk Pyxidicula cymbalum, beschreven door de beroemde Franse micro-hydro-oecoloog Penard in 1902.

De dagnose: de schaal is plat (schijfachtig), kleurloos of bruin gekleurd, met pikkeltjes. De apertuur is rond en bezoomd met een smalle rand.

Deze amoebe werd gevonden op de bodem, 20 cm diep, van een vijver tussen blad en waterpissebedden. De soort komt echter ook voor in veenmos.

Gedetailleerde beschrijving op de website van de Amoebe specialist Ferry Siemersma:

http://www.arcella.nl/pyxidicula-cymbalum

Penard schreef over het genus Pyxidicula:

Ehrenberg a créé ce genre en 1838, pour une seule espèce, la Pyxidicula operculata, caractérisée par une coquille rigide, en forme de verre de montre très bombé, dont le bord se replie par-dessous en une marge très étroite, de sorte que l’enveloppe est presque complètement ouverte à sa face inférieure. Le plasma est analogue à celui des Arcella.

En de volgende afbeelding is van zijn hand:

Schermafbeelding 2016-05-20 om 23.23.26

De soort is waargenomen in uiteenlopende biotopen, van uitgedroogd mos, tot en met waterzuiveringsinstallaties en meren in de Himalaya’s.

Ferry Siemersma: Diagnosis: Shell patelliform, colorless, but usually brown in color, distinctly punctuated. Aperture round, bordered by a more or less narrow rim. Contractile vacuole single. Pseudopodia unknown.