Vijverwater tussen zomerkroos: van Amoeba tot Stylonychia

In de vijver tussen het zomerkroos een aantal boekende waarnemingen:

  1. hierboven een eencellige trilhaarcel, de Stylonychia met bewegende grote cilien aan de buikzijde.

2. Daaronder 3 opnames van een zich voortbewegende Amoebe, eerste afbeelding beweging naar onderen, tweede afbeelding, splitsing der pseudopodien en voorkeurs pseudopodium wordt de rechter, en derde, verder stromen naar rechtsonder.

 

3. Een colonie vormende flagelaat, duidelijk te zien is dat de individuele flagelaten in hun eigen huisjes zich op hun eigen wijze kunnen bewegen.

PLUS0223.JPG
Stervormig kiezelwier

4. Hierboven een prachtig stervormend kiezelwier, daarvan de individuen ook los in preparaten te vinden zijn.

5. Een zich net verdubbelend klokdiertje, Vorticella:

 

PLUS0229.JPG
Verdubbelde Vorticella (vegetatieve voortplanting)

En tenslotte een onbekend stervormende ciliaat:

 

 

Advertisements

Biocoenose op gewoon haakmos (Rhytiadelphus squarrosus)

IMG_1902
13 gram haakmos in een bekerglas op een roerder

Gewoon haakmos (Rhytiadelphus squarrosus)staat bijna bij iedereen in de tuin tussen het gras, en ook bij ons. In de buurt van de vijver. Mos houdt water vast en daarom zijn vele soorten en families van protozoen, radardiertjes en beerdiertjes ook in mos te vinden.

We wogen 13 gram haakmos af en voegden 400 ml water toe in een bekerglas, en lieten die inhoud gedurende 15 minuten via een roerder door elkaar roeren.

Toen namen we met een pipet zoveel water af, dat er twee centrifuge buizen mee gevuld kon worden, na 30 seconden centrifugeren in de handcentrifuge werd het supernatent afgegoten en het sediment bemonsterd.

In het mos troffen we veelvuldig een bepaalde soort raderdiertje aan, eveneens een beerdiertje en enkele soorten beschaalde amoeben.

De micro-fauna van gewoon haakmos

Hieronder een paar opnames van wat er in de micro-biocoenose te zien was:

Professor Jordan’s ‘Het leven der dieren in het zoete water’

IMG_1895
Het werk van Jordan over hydrobiologie van het zoete water (1918)

Professor Hermann Jacques Jordan werd op 9 Juli 1877 te Parijs geboren. Hij in studeerde biologie in Wuerzburg en volgde daar o.a. de colleges van de beroemde plantenfysioloog professor Julius Saçks.

Na het overlijden van Sacks in Mei 1897 zette Jordan zijn studie voort aan de Universiteit van Bonn. Hier werd de zoölogie gedoceerd door den Echinodermen-kenner professor H. Ludwig. Jordan’s belangstelling ging echter meer uit naar de medisch-fysiologische colleges van de vermaarde professor Eduard Pflüger.

Jordan beschreef in zijn proefschrift, de fysiologie van het voortbewegen van de waterslak Aplysia. Hij promoveerde op 25 Februari 1901. Daarna werkte hij in Tübingen als privaatdocent en vanaf 1911 als hoogleraar. Toen Jordan in 1913 de Utrechtse hoogleraar in de farmacologie professor Rudolf Magnus ontmoette werd hij door hem geïntroduceerd bij de zooloog professor Nierstrasz die hem de positie van assistent en privaat-docent aanbood in Utrecht. Op 16 Juli 1915 werd Jordan benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de vergelijkende fysiologie te Utrecht,
en hij aanvaardde zijn ambt op 29 September 1915 met het uitspreken van de rede “De vergelijkende physiologie in de geschiedenis der dierkunde”.

Zijn benoeming tot gewoon hoogleraar volgde in 1919. Met buitenlands geld kon Jordan een modern dierfysiologisch laboratorium opzetten aan de Alexander Numankade te Utrecht, dat op 7 November 1935 officieel werd geopend.

In 1918 werd bij Oosthoek in Utrecht zijn populair wetenschappelijk werkje uitgegeven over ‘hydrobiologische proeven en onderzoekingen’, de ondertitel van ‘Het leven der dieren in het zoete water’. De afbeelding boven dit hoofdstuk geeft bijvoorbeeld weer de wijze waarop de ruggezwemmer Notonecta ademt.

Dat boekje is een combinatie van de dierfysiologische en oedologische inzichten van Jordan, ontsloten voor een wat ruimer publiek.

Over zijn colleges werd gezegd dat hij plotseling een hem invallende gedachte opvatten en al improviserend verder uitwerkte, en was dan voor de studenten niet steeds makkelijk te volgen.

Bron: Beschrijving van Jordan’s levensloop onder link:HERMANN JACQUES jORDAN

Mei 2016, Jan M Keppel Hesselink

Kieuwpootkreeft waargenomen in Maarsseveen

Maarsseveense plas, 10 mei 2016.

Bij het onder stenen kijken op de zanderige bodem van de Maarsseveense plassen een onverwachte ontmoeting met een heuse kieuwpootkreeft, Triop cancriformis. Het dier was in het sediment onder een overhangende steen ingegraven en was verbijsterd toen de steen opgelicht werd, en vluchtte zo snel weg, dat ik helaas geen foto kon maken. De diepte was rond 10 centimeter water, en het dier zat een meter van de oever af onder een overhangende boom.

Het dier was rond de 8 cm lang en misschien 4 cm breed. Het zwom weg met de rugzijde boven. (ze kunnen ook ondersteboven zwemmen namelijk).

De bovenstaande foto is helaas dus niet van mij, maar komt van het net.

Aangezien de laatste waarneming in Nederland van een kieuwpootkreeft in Nederland volgens Scheffer en Cuppen (in Vijver, sloot en plas, 2005, p.95) van 1980 is, wilde ik toch deze waarneming hier vastleggen.

Amoeben anno 1879: ‘Fresh-Water Rhizopods of North America’, Joseph Leidy, 1879

In elke vijver komen eencelligen voor die behoren tot de groep der amoeben (Amoeba). Deze eencelligen zijn zeer bijzonder, ze leven meestal in het slijk op de grond, en kunnen allerlei vormen aannemen. De determinatie van amouben is dan ook een behoorlijk lastig werkje. Temeer omdat sinds enkele decennia bekend is dat de vormen veranderingen zo extreem kunnen zijn, dat wat voorheen gezien werd als verschillende soorten onjuist zou kunnen zijn. De geschiedenis van de kennis omtrent amoeben begint rond 250 jaar geleden, en eind van de 19de eeuw verscheen een standaardwerk.

Dat standaard werk ‘Fresh-Water Rhizopods of North America’, werd geschreven door Joseph Leidy (9 september 1823 – aldaar, 30 april 1891), en in 1879 gepubliceerd. Het is een mijlpaal binnen de ontwikkeling van kennis van de amoeben. De afbeelding hierboven komt uit zijn werk.

Het is bijzonder prettig dat dit integrale werk makkelijk toegankelijk is via de volgende link:

http://user.xmission.com/~psneeley/Personal/FwrPLA.htm

Alfred Kahl: een van de grondleggers van de protozoën-kunde

De Duitser Alfred Kahl( 18 February 1877 – November, 1946) heeft een aantal belangrijke boeken geschreven over eencelligen. Hij was autodidact (middelbare school leraar).

Ofschoon de taxonomie inmiddels achterhaald is, is de inhoud op gebied van de individuele soorten en de afbeeldingen ervan een must op het gebied van de protozoen kunde. Hier het deel dat uitsluitend over trilhaardiertjes gaat,  en dan van de vier delen, alleen deel 1 uit 1930:

A. Kahl . Urtiere oder Protozoa. I: Wimpertiere oder Ciliata (Infusoria), 1930: 1930 Alfred Kahl — Volume I –General Section and Prostomata

  • Kahl A. (1930–35) Urtiere oder Protozoa I: Wimpertiere oder Ciliata (Infusoria) In: Die Tierwelt Deutschlands 18, (Ed. F. Dahl). G. Fischer, Jena.
  • Kahl A. Untitled Monograph of 1943 (on Prostomatean ciliates). Acta Protozoologica 2004 (Suppl.) 43: 11 – 69.

.

 

De Europese Vingernagel schelp, Sphaerium corneum

IMG_1886
Spaerium corneum, vinhgernagel schelp

Sphaerium corneum is een zogenaamde bioindicator voor vrij schoon  water. Bij vervuiling kan het schelpje namelijk niet goed voedsel opnemen en sterft.

In de lente (9 mei) is het water in de Maarseveense plas rond de 14 graden, net voldoende om blootsvoets in te lopen en op de zanderige bodem een semicirculair spoor te vinden. Aan het einde van het spoor de vinger in de bodem levert dan een levende zoetwater oester op, de Europese Vingernagel schelp, Sphaerium corneum.

Er zijn 4 inheemse soorten van deze familie. Twee ervan leven in rivieren en de overige 2, waarvan Sphaerium corneum er een is, in plassen en sloten.

De kleur van de Spaerium corneum is geelachtig en de grootte kan tot 1.5 cm bedragen. Deze schelp komt dus voor in rustig water,  in sloten en plassen. Er was echter ook een lege schelp met een rode tint.

Dit exemplaar was behoorlijk groot. In de volgende foto’s zien we hoe het zoetwaterschelpje zich ingraaft in het zand. Het trekt zichzelf met zijn gespierde voetje het zand in, en daardoor kantelt het zoals op de onderste twee foto’s te zien is.